Geautomatiseerde overheidsbesluiten, profielen en artikel 42 Wbp.

Artikel 42 Wbp leidt een wonderlijk en slapend bestaan. Wonderlijk omdat deze bepaling in het privacyrecht voor de overheid voortdurend lijkt te worden opgerekt. Slapend omdat in het bestuursrecht deze bepaling niet wordt ingeroepen voor situaties waarin die juist wel van toepassing zou zijn en bescherming biedt aan burgers.

In deze blog zullen we analyseren wat artikel 42 Wbp beoogt. Van daaruit zullen we onderzoeken welke vormen van overheidshandelen begrensd worden door artikel 42 Wbp en op welke wijze deze ook in het bestuursrecht rechtsbescherming zou kunnen bieden in een wereld waarin profiling, big data en risicomeldingen hoge verwachtingen wekken.

Wat staat er eigenlijk in artikel 42 Wbp?

Niemand kan worden onderworpen aan een besluit waaraan voor hem rechtsgevolgen zijn verbonden of dat hem in aanmerkelijke mate treft, indien dat besluit alleen wordt genomen op grond van een geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens bestemd om een beeld te krijgen van bepaalde aspecten van zijn persoonlijkheid.

Er zijn twee uitzonderingen mogelijk op dit wettelijk verbod:

  • Als het gaat om het sluiten van een overeenkomst kan een besluit (geen besluit als in de Awb) genomen worden mits aan het verzoek van betrokkene is voldaan en zo niet, mits hij van te voren in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.
  • Als het gaat om een besluit dat zijn grondslag vindt in een wet en daarin maatregelen zijn vastgelegd die strekken tot bescherming van het gerechtvaardigde belang van de betrokkene.

Laten we eerst kijken naar het verbod. De verbodsbepaling uit de Wbp is gebaseerd op artikel 15 van de Richtlijn 95/46 die in de hele EU geldt. In deze bepaling is voorgeschreven dat lidstaten ervoor moeten zorgen dat ‘aan ieder het recht wordt toegekend niet te worden onderworpen aan een besluit waaraan voor hem rechtsgevolgen zijn verbonden of dat hem in aanmerkelijke mate treft en dat louter wordt genomen op grond van geautomatiseerde gegevensverwerking bestemd om bepaalde aspecten van zijn persoonlijkheid te evalueren.’

In de originele tekst van de Richtlijn spreekt men bij artikel 15 over ‘automated individual decisions’. Zie hier de oorzaak van het wonderlijke bestaan. Gebruik de woorden ‘geautomatiseerde besluitvorming’ en de privacyjurist denkt ’42 Wbp’!

Wat zijn geautomatiseerde besluiten?

Er zijn in de uitvoering door bestuursorganen twee vormen van geautomatiseerde besluitvormen te onderscheiden:

  1. besluiten die door expertsystemen worden genomen op basis van een samenspel van verzamelde gegevens (variabelen) en beslisregels (de algoritmen). Deze systemen kun je vergelijken met een ambtenaar die een aangifte handmatig beoordeelt; het checkt de gegevens en gaat aan de slag met (plat gezegd) <als X dan Y > formules. De uitkomst is een beschikking van een bestuursorgaan waartegen de gebruikelijke rechtsmiddelen openstaan. Op tal van terreinen nemen computers de primaire besluiten. Je kunt denken aan de studiefinanciering, toeslagen, WOZ-beschikkingen en boetes voor te hard rijden.
  2. Het is technologisch ook mogelijk om besluiten te nemen of feitelijk te handelen op basis van profielschetsen. Je hebt bijvoorbeeld schulden gemaakt in het verleden en dat is voor een telefoonmaatschappij reden om aan te nemen dat het risico te groot is om je direct een abonnement te verlenen. Of je krijgt een bepaalde functie niet omdat je niet door een screening komt. Dit kun je in de analoge wereld vergelijken met een mens die risico’s moet inschatten; geef ik iemand wel of geen lening? Krijgt iemand wel of geen verklaring omtrent gedrag?

In mijn visie worden in het eerste geval wel geautomatiseerd persoonsgegevens verwerkt, maar kun je niet zeggen dat deze bestemd zijn om een beeld te krijgen van bepaalde aspecten van zijn persoonlijkheid. Want dat impliceert immers dat er gewerkt wordt met profielen, schetsen van iemands persoonlijkheid door het evalueren van gedrag.

Een voorbeeld. Stel dat de WOZ-waarde van uw huis bepaald moet worden. Dit gebeurt geautomatiseerd en aan de hand van een aantal, vrij droge, data; referentiehuizen, ligging, oppervlakte en economische gegevens. Dit is geautomatiseerde besluitvorming maar zonder profielen. Artikel 42 Wbp is niet van toepassing, wel de Awb.

Maar stel nu dat besloten wordt om een aantal WOZ-waarde beschikkingen anders wil behandelen omdat het bestuur af wil van de massale bezwaarzaken. Men kan dan in de systemen uitzoeken welke soort mensen (leeftijd, geslacht, gezinssamenstelling), in welke wijk en met welke gemiddelde WOZ-waarden het hoogste aantal bezwaarschriften heeft ingediend bij het bestuur en op basis daarvan die groep selecteren die men vast de wind uit de zeilen wil nemen. Er wordt dan statistiek bedreven op basis van gedragskenmerken en kenmerken die onveranderlijk zijn om een uitspraak te doen over de kans op het indienen van een bezwaarschrift. Dit is een gegevensverwerking die bestemd is om een beeld te krijgen van bepaalde aspecten van iemands persoonlijkheid. Artikel 42 Wbp ziet op deze vorm van profielen.

Het is niet altijd duidelijk; zo verschilden de wetgever enerzijds en het CBP en Raad van State anderzijds van mening over de gegevensverwerking die gebruikt werd om vast te stellen of iemand in aanmerking kwam voor een tegemoetkoming toegekend door het CAK. De wetgever vond het geen profielen, CBP en Raad van State (Advies W13.10.0172/I) wel. In de meest principiële rechtszaak die hierover is gevoerd werd echter niet aan de bestuursrechter gevraagd om hier een oordeel over te geven, hoewel het materiele geschil juist de onderliggende kwalificaties betrof.

Werken met profielen bij de overheid? Niet altijd een kwestie voor artikel 42 Wbp

Vervolgens het tweede misverstand; zodra het woord ‘profielen’ valt, denken we aan het verbod van 42 Wbp. Maar ook dat is te snel.

Het werken met geautomatiseerde profielen komt dus pas te vallen onder het verbod van 42 Wbp als dit in de verhouding overheid-burger leidt tot een besluit in de zin van de Awb of een handeling die iemand in aanmerkelijke mate treft. Is dat het geval, dan regelt artikel 42, vierde lid, van de Wbp ook dat de verantwoordelijke de betrokkene de logica meedeelt die ten grondslag ligt aan de geautomatiseerde verwerking van hem betreffende gegevens.

profilee

Wat als bestuursorgaan geautomatiseerd beschikkingen neemt gebaseerd op profielen?

Onomstreden is dat zodra er een besluit genomen wordt enkel op basis van een profiel we aanlopen tegen het verbod. En nu wordt het bestuursrechtelijk erg boeiend. Want volgens de MvT geldt voor burgers die geconfronteerd worden met dergelijke beschikkingen, de bescherming van artikelen 4:7 en volgende van de Awb.

Artikelen 4:7 Awb ev behelzen een nadere invulling van het zorgvuldigheidsbeginsel en houden in dat de belanghebbende zelf, voorafgaand aan het besluit, zijn visie mag geven. Op die manier dient de computer, of het profiel, dus als een intern advies en kan de belanghebbende een ander licht op de zaak geven. Het achterliggende idee van de artikel 15 van de Richtlijn is dat de menselijke waardigheid vereist dat dergelijke beslissingen niet door de computer genomen kunnen worden.

De verwijzing naar artikel 4:7 van de Awb zou dus neerkomen op een verbod op het geautomatiseerd nemen van beschikkingen gebaseerd op profielen. Het kan immers niet volledig geautomatiseerd zijn als iemand eerst zijn visie mag geven. Zie hier ook het idee dat er dan een menselijke tussenkomst is gegarandeerd. Goed nieuws dus, zou u denken.

Maar, nu komt het: in artikel 4:12 Awb is geregeld dat het vragen om een zienswijze achterwege kan blijven bij beschikkingen over financiële aanspraken (verreweg het leeuwendeel van de te nemen beschikkingen) mits de nadelige gevolgen daarvan ongedaan gemaakt kunnen worden.

Met andere woorden; er was eerst een wettelijk verbod, toen een bevoegdheid met als voorwaarde dat eerst om een zienswijze wordt gevraagd (feitelijk is het dan onmogelijk om geautomatiseerd te besluiten), om uiteindelijk alsnog tot een bevoegdheid tot komen (waarbij vertrouwd wordt op de bescherming van de bezwaarprocedure).

Het zou interessant zijn te onderzoeken of Nederland hiermee eigenlijk wel op een juiste manier artikel 15 van de Richtlijn heeft geïmplementeerd. Bijvoorbeeld bij rechtszaken over beschikkingen gebaseerd op CBBS, software die door UWV gebruikt wordt om de functie vast te stellen die iemand nog zou kunnen vervullen.  Volgens annotator prof. Overkleeft-Verburg zou voor CBBS het verbod van 42 Wbp gelden.

Bij het uitvoeren van Europees recht door een Nederlands bestuursorgaan op basis van profielen wordt het nog pregnanter omdat dan het recht op behoorlijk bestuur uit artikel 41 van het Handvest grondrechten geldt. Dit recht houdt namelijk in een recht van eenieder om te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen.  

Wat als het bestuursorgaan een betrokkene in aanmerkelijke mate raakt gebaseerd op profielen?

In het bestuursrecht is vervolgens interessant hoe het zit met het verbod om iemand te onderwerpen aan een besluit dat hem in aanmerkelijke mate treft. Ik vermoed dat we het dan hebben over feitelijk handelen of voorbereidingshandelingen van een besluit.

Niet elk feitelijk handelen dus, maar handelen dat iemand in aanmerkelijke mate treft. Denk aan SyrI; na het loslaten van risicomodellen op een berg aan persoonsgegevens over mensen met een uitkering, komt er een ‘risicomelding’. Hoewel negatief over de opzet en omvang van SyRI, noemt de Raad van State artikel 42 Wbp niet. (Zie het advies Raad van State afdeling advisering; W12.14.0102/III.) Toch zou SyRI wel eens onder artikel 42 Wbp kunnen vallen.

Het ligt, zo verwacht ik, dan ook aan de methode van onderzoek NA de melding of we kunnen spreken van het ‘iemand in aanmerkelijke mate’ treffen. Een administratieve check is iets anders dan een huisbezoek. In het geval van SyRI echter komt iemand bovendien na een melding in een register te staan, met alle risico’s van dien. Wordt iemand dan in aanmerkelijke mate geraakt?

Bij het meest vergaande feitelijk handelen na een risicomelding, denk ik aan het afleggen van huisbezoeken. Huisbezoeken is eufemistisch taalgebruik voor onaangekondigd onderzoek in iemands woning. Dit lijkt mij zeker het in aanmerkelijke mate raken van een betrokkene.

Huisbezoeken die op basis van risicoprofielen worden afgelegd kennen we. Uit de jurisprudentie van de CRvB over de controle van rechtmatigheid van studiefinanciering of bijstand.

Uit het artikel van Van den Berg en Van der Leek ‘Studiefinanciering: de uitwonendencontrole’ JBPlus 15/2 blijkt dat DUO risicoprofielen hanteert om te kunnen bepalen welke student met een uitwonende beurs vereerd wordt met een bezoek:

Een risicoprofiel is een set van kenmerken die een verhoogde kans geeft op (vaststelling van) regelovertreding. Hoewel de minister geen inzage geeft in de technische aspecten van de profielen, is wel duidelijk dat daarbij een rol spelen de afstand tussen het adres van de student en het adres van zijn ouders, de afstand van deze adressen tot de school, het aantal inschrijvingen op een adres in relatie tot familieverhoudingen.

Opvallend. Vooral omdat in de rechtszaken hierover artikel 42 Wbp geen rol speelt. Opvallend is ook dat bestuursorganen dus de logica niet mededelen aan betrokkenen, noch de bestuursrechter.

Maar, is de onbekendheid met artikel 42 Wbp erg?

Ik denk het wel, artikel 42 Wbp geeft waarborgen die passen bij de toegenomen kracht van (big) data verrijking. Ook het feit dat de logica niet voor de betrokkene geheim mag worden gehouden (artikel 42, vierde lid, van de Wbp) terwijl in de meeste uitspraken de rechter het betoog van het bestuur volgt dat dit juist wel geheim moet blijven, laat zien dat de huidige bescherming geen gelijke tred houdt met de technologische mogelijkheden.

Het gaat om het terugbrengen van de balans. Er zijn genoeg instrumenten: vanuit de EU Richtlijn (menselijke waardigheid), artikel 4:7 en 4:8 van de Awb (zorgvuldigheidsbeginsel) en artikel 41 van het Handvest (behoorlijk bestuur) welke allen steeds uitkomen op dezelfde waarborgen: na het wiskundige rekenresultaat over de kans op een risico, is het aan de belanghebbende zijn visie van het verhaal te geven.

Advertenties

Ruzie aan de keukentafel? Nieuwe vormen van geschilbeslechting voor sociaal domein en wijzigingen in de Awb.

Volgens de reclamemakers van Ikea zijn keukentafels ‘hotspots’ in huis, zelfs wanneer er niet gegeten wordt. Nu was de keuken van zichzelf al enige tijd het centrale middelpunt van uw leven. Wist u dit niet?

Dan moet u Jacq. Veldman maar eens lezen. Haar analyse van de hedendaagse woonbladen: De keuken is niet langer de plek waar je zo’n beetje suf voor je uit staat te wokken. Het is een ‘totaalbeleving’ van ‘thuiskomen’, ‘rust’ , ‘de maaltijd delen’ en ‘een heleboel warmte’.

En nu staat er in die ‘totaalbeleving’ dus een ‘hotspot’: de Keukentafel.

Niets is te gek voor aan de Keukentafel. Volgens Edith Schippers kun je met elkaar je zorgkosten bespreken aan de keukentafel; ‘nee schat, vorige keer na het bungeejumpen heb je al 6 sessies bij de fysio gekregen, nu is het tijd voor mijn tennisarm’.

Of je leest er een goed boek en gaat daarna een goed gesprek voeren. ‘Filosoferen aan de keukentafel’ .

Van oudsher was de functie van de keukentafel een plek om aan te eten.

avondmaal

Het is duidelijk: de keukentafel is niet zomaar een tafel. Het is een symbool geworden, doorontwikkeld zo u wilt, of zelfs terecht gekomen in een function-creep.

In het sociaal domein is het de tafel waaraan de overheid met mensen gesprekken voert. De overheid komt naar u toe! Voor een ‘Keukentafelgesprek’. Een gesprek om gezamenlijk naar oplossingen te zoeken voor het thuis kunnen wonen of mee kunnen doen in de samenleving.

Tijdens het keukentafelgesprek kijk je samen wat je persoonlijke situatie is, waar je ondersteuning bij nodig hebt, en wat oplossingen zouden kunnen zijn. Jij mag zeggen waar je behoefte aan hebt. Het is een gesprek van mens tot mens.’ (afkomstig van Huis voor de zorg)

Toegegeven, dit klinkt goed. Beter dan met veel pijn en moeite naar een loketje schuifelen met je rollator om daar een lijstje af te komen vinken. Om vervolgens weer naar een ander loket te worden gestuurd. Ik ken iemand die zich tijdelijk maar een paar meter met rollator kon verplaatsen en daarom een parkeervergunning wilde aanvragen. Die aanvraag mocht zij alleen in persoon indienen, door naar het gemeentehuis te komen. Maar dat kon zij nou net niet. Een gehandicaptenparkeerkaart kon zij ook niet aanvragen vanwege haar tijdelijke situatie. Iemand die dan bij jou thuis komt is echt een uitkomst.

Maar de keuken is ook een plek waar de emoties en de temperatuur erg hoog kunnen oplopen. En dat is niet alleen het geval als Gordon Ramsey binnen komt vallen.

Niet voor niets is het gezegde: If you can’t stand the heat, get out the kitchen.

Want wat nou als na het keukentafelgesprek blijkt dat de geboden hulp niet de oplossing is voor je problemen? Dan kan het zomaar zijn dat je vervolgens weer ouderwets van het ene loket naar het andere loket wordt gestuurd.

Op de boeiende VAR-vereniging voor bestuursrecht studiemiddag op 9 oktober jl., werd het voorbeeld genoemd van een mevrouw die een beschikking had gekregen waarop stond dat zij het arrangement kreeg ‘schoon huis’. Tijdens de eerste wekelijkse schoonmaak stopte de hulp na 22 minuten werken. Na een verbaasde vraag of het huis dan nu al schoon was, kwam de reactie dat de hulp per huishouden maximaal 22 minuten mag schoonmaken. Wat dan te doen? Klagen bij het schoonmaakbedrijf? Of bij de gemeente? Maar hoe? Een bezwaar indienen tegen de beschikking zal lastig zijn want is het arrangement ‘schoon huis’ altijd 22 minuten? En zou je eigenlijk ‘schoon huis plus’ nodig hebben? Bestaat dat eigenlijk? En bovenal; wat is eigenlijk ‘schoon’? foto.beslisboomschoonmaken

De juristen gingen helemaal los; is ramen lappen aan de buitenzijde luxe of noodzaak? En hoe vaak dan eigenlijk? En is een zandstorm dan misschien een afwijking waard? Kan een bestuursrechter (die zelf waarschijnlijk jaren prima functioneerde in een onfris studentenhuis) dat eigenlijk wel beoordelen of moeten we dan mensen hebben a la Rob Geus?

Het is duidelijk dat we in de Awb, met een hoofdrol voor een besluit, een afzonderlijke klacht-en bezwaarprocedure en formele rechtskracht, weinig instrumenten vinden om écht behulpzaam te zijn bij een geschil of verschil van inzicht tussen de burger en de gemeente (uitvoerder). En dat is toch wat het procesrecht als primaire taak zou moeten hebben. Sterker, als enige taak (#youhadonejob)!

Maar ook de praktijk is door de jaren heen een formalistische richting ingeslagen. Zoals Boudewijn de Waard in zijn afscheidsrede ‘Voortgaande heroverweging’ sprak: ‘Met procedurele regels zo zou moeten worden omgegaan, dat zij niet onnodig in de weg staan aan het realiseren van materieelrechtelijke aanspraken.’ Helaas, zo constateerde hij is dat niet het geval.

Voor het sociaal domein denkt men aan twee oplossingen. Voor insiders is het opvallend dat deze niet van de bedenkers van het sociaal domein komen, VWS en SZW maar van BZK en V&J.

Oplossingen die zoals nestor Michel Scheltema de VAR-leden voorhield, niet alle problemen zullen gaan oplossen. Maar, nietsdoen, zo waarschuwde hij, zal leiden tot marginalisering van het bestuursrecht. En als dat gebeurt is de rechtsbescherming voor de burger een bladzijde uit onze recente geschiedenis. Juist niets doen leidt tot een te grote afstand tussen de belevingswereld en de werkelijkheid van mensen en de systeemwerkelijkheid. De rechtsbescherming die dan overblijft is louter theoretisch.

De eerste oplossing is een oplossing voor de korte termijn; een Handleiding geschilbeslechting sociaal domein. Deze wordt geschreven in opdracht van BZK, (Prettig contact met de overheid) door onder andere Bert Marseille. Zoals hij zelf vertelde in een interview ‘De gemeente, de burger en de duivel’:

Verbazingwekkend genoeg zien we in de praktijk nogal eens dat gemeenten de rechtsbescherming van burgers ontoegankelijk maken. Ze schuiven het weg naar private uitvoerders’.

De tweede oplossing is een oplossing voor de langere termijn. Wijzigingen van de Awb, speciaal voor Jeugdwet, de Participatiewet en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

Daarbij denkt de ambtelijke werkgroep aan 3 voorstellen:

1.Het gehele geschil kan aan de bestuursrechter worden voorgelegd. Nu is dat alleen per beschikking en is er een verschil tussen de bezwaarprocedure tegen beschikkingen, eventueel gevolgd door een procedure bij de bestuursrechter en de klachtenprocedure bij de (gemeentelijke)Ombudsman. Dit maakt dat de feitelijke uitvoering van een beschikking soms losgezongen is van de beoordeling door de rechter. Door dit te veranderen wil men zorgen voor een integrale behandeling van het geschil en het zoeken naar een integrale oplossing.

Men verwacht dat dit onder het huidige regime lastig te bereiken valt door de versnipperde besluiten en pragmatisme in de uitvoering. Door deze verandering kan het bestuursorgaan in ieder geval zijn verantwoordelijkheid niet afschuiven en kan het geheel, (integraliteit is juist de kernbedoeling in sociaal domein), door de rechter bekeken worden.

Dit houdt ook verband met de eisen die nu aan het beroepschrift gesteld worden. Hierdoor kan het voorkomen dat iemand net niet gelukkig genoeg was in het preciseren van zijn grieven. Als hij, eenmaal op zitting, iets verwoordt wat hem dwars zit maar niet in het beroepschrift stond, vinden sommige bestuursrechters dat een ‘gevalletje tardief’, je bent te laat. Volgens De Waard mag in het bestuursrecht wel meer gekeken worden naar het hockey, in het bijzonder de taakopvatting van de videoscheidsrechter. Als hockeyspeler kun je je beklagen over een beslissing van de scheidsrechter. Het is handig als je hierbij aangeeft wat er volgens jou niet goed is beoordeeld, maar de videoscheids is hier niet aan gebonden. Deze kan een klacht die op een bepaalde grond is ingediend, om een andere reden honoreren.

2.Verlengen van de bezwaartermijn; van zes weken naar zes maanden. Nu moet de burger binnen zes weken na ontvangst van de beschikking bezwaar maken. Het idee is om dit te verlengen met zes maanden. Hiermee hoopt men ervoor te zorgen dat je niet je rechten verliest als je eerst op een laagdrempelige manier je ongenoegen uit. Het direct instellen van bezwaar is nu vaak de enige manier, met als nadeel dat dit ook escalerend werkt en daarmee juist contra-productief is.

3. Andere beoordeling door de bestuursrechter. Ex nunc of ex tunc? Sudoku’s voor juristen, onbegrijpelijk voor gewone mensen. Het betekent dat als een geschil op tafel bij de bestuursrechter ligt, hij het besluit moet beoordelen naar de stand van het recht en de feiten zoals die op het moment van het besluit (op bezwaar) bekend waren. (Tenzij je trouwens tussendoor bent overleden. Dan verlies je procesbelang.)

Het houdt in dat in het sociaal domein de bestuursrechters, als het aan de werkgroep ligt, voortaan met de ‘kennis van nu’ aan geschilbeslechting mogen doen. Dat heeft als groot voordeel dat het geschil echt beëindigd kan worden omdat de veranderde omstandigheden meegenomen mogen worden. Mogelijk doelt men ook op de werkwijze van de videoscheidsrechter bij hockey. En het betekenen misschien ook dat voortaan uitspraken sneller uitgevoerd gaan worden. Zie daarvoor het onderzoek van Annika van der Veer (Slagvaardige geschilbeslechting in het bestuursrecht).

Er zal nog veel water door de Rijn stromen voor we deze voorstellen in het Staatsblad zullen zien. Maar de boodschap die hieruit spreekt is misschien nog wel veel belangrijker. Die zouden alle bestuursrechtjuristen zich mogen aantrekken. Want het is wel erg droevig gesteld met het bestuursrecht als de goede plannen van nu alleen afkomstig zijn van mannen die met pensioen zijn gegaan.

Of komt het omdat zij langer aan een keukentafel kunnen zitten nadenken?


Uitgebreidere informatie over de plannen staan hier.

Een blog van mezelf over meer bezieling in bestuursrecht.

Artikel over het geheimschrift in uitspraken van bestuursrechters.

In-en uitchecken met het Nederlandse OV, kappen met die shit.

limageOm te kunnen reizen met het OV in Nederland is het handig dat je een beetje weet waar welke plaats ligt, hoe de treinverbindingen lopen en moet je kunnen schakelen tussen de digitale vertrektijden op de informatieborden en de analoge stationsklokken. Zelfredzaamheid door middel van digitale middelen is een groot goed tegenwoordig, maar blind varen op de OV-reisinformatie is, net als bij de TomTom, niet altijd verstandig. Afgezien van het op de automatisch piloot in de verkeerde trein stappen, gaat het reizen me goed af en ben ik zeer blij met ons goed bereikbare binnenland. Deze ‘blij-dat-ik-trein’ droom is echter voorbij. Ik ontving namelijk een reprimande. Het in-en uitchecken was me niet gelukt. Dat verbaasde me. Trouw als een Labrador check ik in en uit. Ik ben, zoals dat heet, succesvol digitaal gedisciplineerd. Dacht ik dus. Want gebleken is dat je, om te kunnen reizen, ook moet beschikken over kennis van de markt van het openbaar vervoer.

Dus als je een bus pakt vanuit Amsterdam Bijlmer, moet je uitchecken bij de NS en dan niet inchecken bij de GVB maar bij Connexion. En als je in station Amstel incheckt dan zijn er dus verschillende poortjes: hetzij GVB, hetzij NS. Verkeerd poortje? Verkeerd ingecheckt! Ik heb eigenlijk heel andere dingen aan m’n hoofd als ik naar m’n trein loop. Welk spoor? Hoeveel tijd heb ik nog? En natuurlijk ook allerlei diepgaande theorieën. Nu mag ik mijn brein ook nog eens gaan lastig vallen met de prangende vraag: door welk poortje loop ik?

Iemand ooit gehoord van ‘klant centraal’? Iemand ooit gekeken naar de moeite die op Schiphol is genomen om het verplaatsen en de weg vinden zo gemakkelijk mogelijk te maken? Er is toch wel iemand die luisterde naar Louis van Gaal toen hij zei dat zijn spelers standaard slippers met witte sokken moesten dragen om ervoor te zorgen dat dit een automatisme werd en zei zich bezig konden houden met belangrijkere zaken? Zijn de bedenkers dan nooit in Parijs in een bus of metro geweest?

Automatisering is niet het probleem. Het probleem is hier dat reizigers worden geconfronteerd met een versnippering die voor hem totaal niet relevant is. En dan moet je met elkaar de zaak zodanig regelen dat de reiziger zich daar ook niet over hoeft te bekommeren. En nee, niet door aan de OV-pas nog meer reisinformatie te koppelen. Wat te denken van domweg tellen? En dan daar een verdeelsleutel overheen gooien. Of iets anders. Verzin in ieder geval iets.

Of ik moet enige zijn die laatst wel digitaal was overgestapt, maar i.r.l. / de facto / feitelijk de aansluiting miste.image

Om met Edwin van de Sar te spreken: ‘kappen met die shit!’

Als je voor het eerst in NL bent is het natuurlijk nog moeilijker: de politie deelde dan ook deze handleiding uit aan vluchtelingen:

http://www.rtlnieuws.nl/editienl/inchecken-doe-je-zo-handleiding-voor-vluchtelingen

Sterk spul hè, data.

Al jaren horen we privacyjuristen waarschuwen voor de risico’s van het koppelen van bestanden. Als we alle gegevens samenbrengen, ontstaat er een blauwdruk van je persoonlijkheid die je ontwikkeling in gevaar brengt. Bij persoonlijke ontwikkeling hoort immers het maken van fouten. Maar als deze fouten je de rest van je leven blijven achtervolgen, kun je je niet ontwikkelen. Het is onmiskenbaar waar. Maar de strategie van waarschuwen werkt niet (meer).

Hoe komt dit? Dit komt omdat data meer dan ooit gebruikt worden als analyse-methode voorafgaand aan een besluitvormingsproces. Er komen steeds meer data beschikbaar en de verwerkingscapaciteit neemt exponentieel toe.

Data zijn overal en mobieler dan de personen zelf. Bij Spotify weten ze welke muziek ik luister, Google weet wat mij zoal op een dag bezighoudt, de NS weet dat ik op het einde van de dag graag even naar een kruidenier op het station loop en mijn werkgever weet wanneer ik in- en uitlog op het netwerk.

Dit wordt de dataficatie genoemd. Wij, als mens, met een lichaam en gedragingen, worden gevat in enen en nullen. En die enen en nullen worden gebruikt om ons te waarderen; in-of uit te sluiten. Het leven wordt een als een rij bij de Efteling: hopen dat je inmiddels lang genoeg bent voor de achtbaan. Of een uitslag bij de arts; je bent weliswaar beroerd, maar je bloeduitslag is goed dus er is niets aan de hand. Het leven als CITO-toets.

Een jonge vader vertelde me dat de gynaecoloog hem voorafgaand aan de bevalling had opgedragen vooral op zijn partner te letten en niet te staren naar de weeën meter. De arts had al vaker meegemaakt dat de man met een blik op het meter, zijn vrouw blij vertelde dat de laatste wee niet heftig was. De vrouw kon daar wel eens anders over denken.

weeenmeter

Zelf worden we ook steeds beter in het presenteren en begrijpen van de resultaten van de data. Basisschoolleerlingen die anno 2015 een online type-cursus doen, zien hun eigen prestaties aan de hand van grafieken. Die zeggen dan iets over hun snelheid en netheid. Zelf kreeg ik pas grafieken te zien tijdens de aardrijkskundeles op de middelbare school. En die gingen niet over mijn eigen gedrag maar over regen of temperaturen in andere werelddelen.

We zouden dus kunnen redeneren dat data een mooi hulpmiddel zijn, we deze steeds beter leren begrijpen, maar dat zij ons eigen waarnemingsvermogen niet kunnen vervangen.

Dat blijkt niet het geval te zijn. Daarvoor is het geloof in data (of verlangen naar simplisme) te groot. Bestuurders zijn de grootste believers, afgaande op hun preken over big data, open data en –onvermijdelijk- ‘one version of the truth’.

Vandaar dat ik hier maar plompverloren herhaal welke misverstanden volgens Sanne Blauw, achter data schuilgaan. Misverstanden ook die direct of misschien wel versterkt van toepassing zijn op persoonsgegevens, personal data dus, en opgeschreven in De Correspondent :

Misverstand 1: alles is te tellen.

Misverstand 2: kwantificatie heeft geen invloed op het systeem dat je probeert te vatten.

Misverstand 3: cijfers zijn waardenvrij.

Misverstand 2 is misschien nog het meest onderbelicht. Terwijl wij dit allemaal kennen als de ‘perverse’ werking van een systeem. Het werkt als volgt. Stel dat een gemeente uit de schatkist betaald wordt aan de hand van het aantal inwoners dat in de Basisregistratie Personen (BRP) geregistreerd staat op een bepaalde peildatum (Gemeentefonds). Dan kan het dus zomaar gebeuren dat een bestuurder opdracht geeft om alle pas geboren baby’s wel in te schrijven, maar alle overlijdensgevallen nog even op te sparen. Op die manier immers, zal de bijdrage zo hoog mogelijk zijn.
Kwantificatie leidt tot calculerend gedrag. Zelfs de meest neutrale administratie zal door kwantificatie beïnvloed worden. Daarmee ontstaat de vervelende situatie dat als er al sprake was van een neutrale administratie, deze juist door het gebruik daarvan, zijn neutraliteit verliest. Terwijl we doen alsof we naar zwaartekracht aan het kijken zijn.
Dit calculeren leren we ook steeds vroeger; het kind van 10 met de typecursus heeft vrij snel door dat de grafiek over zijn prestaties verbetert, niet door beter te typen maar door de typesnelheid op een lager tempo te zetten.
Deze drie misverstanden gaan dus aanmerkelijk verder dan wat we zouden kunnen beschermen als we alleen kijken naar het grondrecht privacy. Zij zien op de wijze waarop wij als mensen naar onszelf en naar andere mensen willen kijken. Dat is het vraagstuk waar we de komende jaren voor staan.
Data zijn dus ‘here to stay’. Vanuit dit gegeven moeten we verder nadenken over dit vraagstuk dat niet alleen juridisch kanten maar ook ethische kanten heeft.

Daarom is het voorbeeld van de Europese toezichthouder voor de gegevensbescherming erg inspirerend. Hij gaat een denktank inrichten met allerei disciplines om te adviseren over Data, Dignity and Technology. Een schot in de roos, het multidisciplinaire karakter & de koppeling van data met ‘dignity’. Laten we hopen op een bruikbaar en concreet resultaat. Voor we allemaal struikelen over een CITO-score.

ReNEUAL Model Rules Information Management; one step forward, ten steps back?

madonna1-565x560National administrative law is getting more and more influenced by European administrative law. This is a very interesting evolution. Although societies, culture and habits are different, many problems will be quite the same in every country. Governments and its civil servants will experience likewise demands from its citizens on service-levels and accessibility.

So, it makes sense to take the chance to cross the border and look for solutions you haven’t thought of before and share them. Not only to provide yourself with new perspectives, it’s this particular social capacity, as scientists have examined, that made humans able to develop as we did in comparison to primates.

Learning from other solutions or legal systems might essential, it’s also very inspirational. I am inspired a lot by European documents such as those on Good Administration and Convention 108 on data protection.

All the more reason to take an enthousiastic look at the ReNEUAL-project. ReNEUAL is the Research Network on EU Administrative Law. The objective of ReNEuAL is necessary aswell as ambitious:

ReNEUAL addresses the potential and the substantial need for simplification of EU administrative law, as the body of rules and principles governing the implementation of EU policies by EU institutions and Member States

However, I found myself not very fond of the ReNUEAL model rules on Information Management (Book VI)

Here’s why:

Decision-making is a data processing process.

This was already the conclusion of the late Pioneer Jon Bing in 1977. A pioneer in ABBA’s decade, but in 2015 we simply can’t afford us to ignore this important conclusion; we can’t study decision-making isolated from data processing. At least not if we pretend to offer solutions in contemporary execution of administrative laws.

If isolated, we will overlook essential ethical and legal issues. And guess what? That is exactly what the ReNUEAL model rules do. In these ‘books’ (mind the word book!) information management is divided not only from making rules (Book II) but aswell from single-case decision-making (Book III).

On making of rules it is already observed that there are many examples of regulations that are made in close relation to the state of the art technology. Automatic fines for speed driving is such an example. The customlaws in EU are designed to facilitate the technological possibilities on data processing. So, rule-making and information management could be studied as one phenomenom.

But of greater concern is the ignoration of the pair ‘decision making’ & ‘information management’. Because it will hinder us from making a frame-work that clarifies responsibilities, duties and rights for citizens.

It’s like building a house; the material that is available or affordable is fundamental for the result. You can’t build a real house only by studying its design. You can study the design. But that is not the same as building it, or, what I think administrative lawyers do, study the building. I see the ReNEUAL Book VI as studying bricks while model-rules would be more helpful and necessary to use, if was chosen to study buildings made with all used materials.

When not to wear retroglasses?

When Madonna was making her famous boattrip in Venice, IT-lawyers used to talk about databases. That was what the Convention 108 was all about. The idea back then was that we had to protect personal data by regulating databases. But in 2015 it is highly unlikely EU administrations only use databases.

Au contraire, I would like to state that the corporation within the EU member states and institutions would not be as efficient as they are today, if they still used databases! It’s an essential part of e-government that we can transfer data, link data and use data, undependable on time and locaties of the data or its users.

There are many examples, but it helps to think on projects like Frontex (http://frontex.europa.eu/) or a far more simple one; VIES (VAT Information Exchange System). Or one could start reading this publication called ‘The Migration  Machine’ in which the automation of the immigration process is observed and explained.  http://www.academia.edu/2740064/The_Migration_Machine)

Applications, systematics and connections like these made scientists in the Netherlands talk about iGovernment instead of e-Governement. In an influential and milestone publication Corien Prins and others coined the word iGovernment, with the i of Information,

to highlight the actual existence of a reality which is entirely different from the reality which currently figures on the political and administrative radar’.

It’s more then a pity that ReNEUAL didn’t use this perspective to come up with model rules. By using a retro version of the daily practice, lawyers will become out-casted for their unhelpful assistance. It will make it very easy for the administrations to ignore them completely. If so, we failed our responsibility to facilitate fairness in the relation Government and Citizen.

Madonna

Which brings me to my final point. And the moment to mention one very painful question Richard Susskind asked lawyers;

To what problem are you the solution?

Lawyers, and surely administrative lawyers, are not the world’s most tech-gifted people. I am one of them so I feel entirely entitled to state this. But even if we were, our societies are too complex to look at and try to regulate it from one discipline.

The digital identity of Estonia for instance offers us a radical change on citizenship. Or even very close to the EU: free movement of persons in the EU; the movement may be physically very easy but in practice, your social security issues will be very difficult to handle alone: https://www.youtube.com/watch?v=r7ntV0P1A98

That is why all lawyers but should broaden their view and connect with other fields in science, like ITlaw, philosophy and public administration/organisational science. It will make the outcome more relevant and the process more open-minded. So, my dear fellow administrative lawyers; start thinking like Madonna; reinvent yourselves! And work together with others as Madonna does on every new album.

20150212-pictures-madonna-rebel-heart-covers-hq-standard

Profielen en rechters

profielIn een wereld waar op het openbaar bestuur wordt bezuinigd en de taakstellingen toenemen, moeten harde keuzes gemaakt worden om efficiënt te blijven werken. Bij het controleren van naleving van wetgeving is dit niet anders. Er wordt dan ook gewerkt met profielen.

Een profiel

Een profiel is een set van kenmerken van een persoon of zijn gedrag die iemands contouren zichtbaar maken. We kennen profielen uit de kunstwereld. Het woord ‘profil’ werd in 1621 in Frankrijk gemunt. In 2008 zien we deze uitleg in een rapport opgesteld voor de Raad van Europa:

A profile is merely an image of a person based on different feautures. In the artist’s profile, features are sketched; in profiling, data are correlated. In neither case can the profile be equated with the person him or herself.

Met behulp van het profiel wordt een individu uit de massa gehaald en nader onderzocht. Nieuw is dit niet. Een agent maakt dagelijks dergelijke afwegingen. In de VS is profiling in combinatie met de politie haast altijd verbonden aan het maken van onderscheid op basis van uiterlijke kenmerken. https://www.aclu.org/issues/racial-justice/race-and-criminal-justice/racial-profiling

Recent hebben twee hoogste bestuursrechters een oordeel gevormd over de vraag of de toepassing van een bestuursorgaan van een profiel in strijd is met het verbod van discriminatie. We starten met het meest duidelijke voorbeeld van profiling; een toezichthouder die op een locatie onderzoek doet. Het onderzoek werd door de Inspectie SZW gedaan in het kader van naleving van de Wet arbeid vreemdelingen. Men wilde weten of op de bouwplaats mensen aan het werk waren zonder tewerkstellingsvergunning. Daarvoor vroeg men niet aan alle aanwezige mensen de identiteitspapieren maar alleen aan drie van hen. Op de zitting bij de rechtbank spreekt een inspecteur opvallend open over deze werkwijze:

Wij controleren in het kader van de Wav, omdat de betreffende vreemdelingen donker haar en een getinte huidskleur hadden hebben we hen om identificatie gevraagd, omdat daaruit het vermoeden voortvloeide dat zij vreemdelingen waren.

Naar aanleiding van de bevindingen werd een boete opgelegd van  €12.000.

De Afdeling bestuursrecht van de Raad van State oordeelt zonder veel omhaal van woorden dat hier een onderscheid is gemaakt op uiterlijke kenmerken, dat er geen rechtvaardiging voor bestaat en daarom ongeoorloofd is als bedoeld in artikel 1 van de Grondwet.

Ongebruikelijk in het bestuursrecht is het gevolg van deze constatering; deze schending wordt door de bestuursrechter zo ernstig geacht dat het bewijs dat op deze wijze verzameld is, niet gebruikt mag worden. De manier van verkrijgen staat haaks op wat mag worden verwacht van een behoorlijk handelende overheid.

De andere twee voorbeelden van het gebruiken van profielen komen van de CRvB en gaan over de controle van het recht op een bijstandsuitkering. In beide gevallen ging het om onderzoek naar eventueel vermogen (bankrekening of een woning) in het buitenland. In een zaak was er geen strijd, in de andere wel.

Rotterdam: geen gerechtvaardigd onderscheid

In de zaak over Rotterdam was het profiel als volgt;

– bijstandsgerechtigden die de dubbele nationaliteit Nederlands & Marokkaans, ouder zijn dan 40 jaar en afkomstig uit bepaalde streken van Marokko en welke in het verleden vakanties hebben doorgebracht in Marokko.

Volgens de CRvB mag bij het onderzoek naar eventueel vermogen in het buitenland wel een onderscheid gemaakt worden tussen groepen bijstandsgerechtigden (bijvoorbeeld het niet-Nederlander zijn in combinatie met de leeftijd en vakantiegedrag) maar in dit project was het risicoprofiel alleen gericht op enkele groepen bijstandsgerechtigden met een bepaalde dubbele nationaliteit.

Door te kiezen voor het onderzoek naar de dubbele nationaliteit Nederlands/Marokkaans, is dit een “verdacht”  onderscheid.  Rotterdam slaagde er niet in de rechtvaardiging hiervoor over te laten komen als zeer gewichtige redenen.

Vervolgens gaat de CRvB ook in op het gevolg van het risicoprofiel en de vraag of het middel in verhouding stond tot het doel. Rotterdam hanteerde een werkwijze die, zeker gezien de wijze van profilering, een schoolvoorbeeld is van discriminatie.

Mensen immers die voldeden aan het profiel, werden niet uitgenodigd schriftelijk vragen te beantwoorden of langs te komen voor een informatief gesprek met de klantmanager. Zij werden, los van elkaar, gehoord door de sociale recherche in het gebouw waar normaal verhoringen plaatsvinden voor fraude-onderzoeken.

De CRvB oordeelt dat Rotterdam hiermee een bepaalde, op nationaliteit gebaseerde groep heeft behandeld op een manier waarbij het gevoel of de schijn kon ontstaan, dat betrokkenen onjuist gebruik maakten van de bijstand, terwijl daarvoor geen vermoeden bestond.

Een goede beslissing want inherent aan profiling is immers dat een profiel vooral iets zegt over een persoon ten opzichte van een groep, maar op zichzelf beschouwd slechts een schets of indruk geeft over een persoon of zijn gedrag.

Schiedam: geen strijd met verbod van discriminatie

Even verderop, in Schiedam, pakt men dat heel wat professioneler aan. Maar ook het risicoprofiel was anders samengesteld. Het doel was gelijk; onderzoeken van eventueel vermogen in het buitenland. Het profiel bestond uit de volgende kenmerken:

-bijstandsgerechtigden ouder dan 50 jaar, die afkomstig zijn uit een ander land dan Nederland gecombineerd met vakantiemeldingen (lange vakantie van 30 dagen of meer).

Interessant is in deze kwestie dat de CRvB, vermoedelijk daarop gewezen door Schiedam, beschrijft dat bijstandsgerechtigden die in Nederland zijn geboren ook voortdurend onderworpen worden aan controles naar de aanwezigheid van vermogen. Betrokkenen merken daar alleen niets van. De gegevensuitwisselingen die dit mogelijk maken zijn niet voorhanden voor mensen die niet in Nederland zijn geboren. Omdat iemand in het land van herkomst vermogen kan hebben opgebouwd of geërfd, is het land van herkomst een gegeven dat van belang is voor de vraag of de controle op vermogen en inkomen van de betrokkene vooral op middelen binnen Nederland moet worden gericht of ook op middelen in het buitenland.

Maar dat is niet het enige waarom deze zaak anders is. In Schiedam kregen de mensen die voldeden aan het profiel een brief waarin het onderzoek werd aangekondigd. Zij kregen ook de gelegenheid om binnen twee weken zelf eventueel vermogen in het het buitenland te melden. Er zou dan geen boete worden opgelegd, maar het recht op bijstand zou wel worden onderzocht en mogelijk teruggevorderd. De rechtzoekenden hadden hier niet op gereageerd zodat hun vermogenspositie alsnog in het buitenland werd onderzocht. Hiervan vindt de CRvB van belang dat dit eigenlijk hetzelfde is als mensen die in Nederland geboren zijn: van hen wordt de vermogenspositie ook voortdurend maar ongemerkt onderzocht. Van verschillende behandeling is in zoverre maar in zeer beperkte mate sprake.

Dit laat zien dat bestuursrechters goed uit de voeten kunnen met risico-profielen. Dat is goed nieuws. We kunnen hieruit ook afleiden dat de uitvoering steeds met objectieve kenmerken moeten werken en deze moet verfijnen met andere objectieve kenmerken.

De moeilijkheid zit wat mij betreft steeds in de vraag wat te doen als een ‘verdacht’ kenmerk een statistisch relevant kenmerk blijkt. Bijvoorbeeld onderscheid naar leeftijd omdat uit onderzoek blijkt dat jongeren meer roekeloos rijden. Of onderscheid naar geslacht omdat uit de cijfers blijkt dat vrouwen zo enorm goed kunnen autorijden en minder schade veroorzaken. Daarover de volgende keer meer.

Vijf sleutels om een rechter beter te begrijpen: artikel op De Correspondent 

https://decorrespondent.nl/2667/Vijf-sleutels-om-een-rechter-beter-te-begrijpen/136245604572-a1db1c3f 

Kijk ook naar de prachtige illustraties van Lien Geeroms die erbij geplaatst zijn! http://liengeeroms.com/ 

In de uitzending bij Frits Spits, 

http://www.radio1.nl/popup/terugluisteren-programma/2467/2015-04-11 (tweede gedeelte na 7 minuten)

En een leuke reactie op het interview in Taalstaat NPO radio 1 met Frits Spits: 

http://www.taaljurist.nl/juridisch/een-rechterlijke-uitspraak-in-gewoon-nederlands-onmogelijk/

Het recht en technologie; ballast of compas?

Bij de Beste Vriendenquiz krijgen hedendaagse tablet kids filmpjes te zien over waanzinnige records ‘uit de tijd van je ouders’. Met de kennis van nu (voor de liefhebber: ‘ex nunc bekeken’) is de uitvoering van het record minstens zo raar als het hele idee van het ‘record’. Stuntmannen die door brandend hooi rijden met een brommer. Mannen die geblinddoekt een vrachtwagen trekken en uiteraard achteruit rijden met een caravan op een race-circuit. Pas als je die filmpjes ziet voel je wat je eigenlijk al lang hoort te weten: tijden veranderen.

Een belangrijk verschil met deze jaren ’80 is de enorme invloed die technologie ons dagelijks leven heeft gekregen. Vooral de komst van informatietechnologie. Nauwelijks bij te benen voor early-adaptors dus, zo is de gedachte, al helemaal niet voor het recht. Na de vaststelling dat het niet meer van deze tijd is, wordt er doorgaans niet verder nagedacht. Alsof het om een rolletje kodakfilm gaat wordt dit weggegooid. ‘Het recht? dat is oud denken!’ krijg ik naar mijn hoofd als ik onder IT-ers over het recht begin.

Het recht is een combinatie van afspraken. Het probeert een verduidelijking aan te brengen in ingewikkelde maatschappelijke situaties. In zekere zin zijn juristen dan ook ramptoeristen. Gaat het mis dan komt de jurist aangesneld met zijn denkraam en past dat toe op de situatie met als doel: duidelijkheid. Wie mag het kastje van oma houden, wie krijgt er een schadevergoeding en wie moet accepteren dat er zoiets bestaat als domme pech? Of zoals Richard Susskind schrijft; juristen gaan beneden de klif klaarstaan met een ambulance, maar misschien zou het slachtoffer liever zien dat er een hek bovenaan de afgrond wordt geplaatst.

Zie hier het probleem in een maatschappij die meer dan ooit gedreven wordt door technologie. Technologie dendert voort en juristen rennen heen en weer voor het aanleggen van noodverbandjes. Mensen die zeggen dat deze manier van rechtstoepassing achterhaald is, hebben gelijk. Maar ik vind dat het probleem niet in het recht zit.

Wetgeving (en dat is dus maar een onderdeel van het recht) loopt per definitie achter technologie. Maar ook op de uitvoering van het openbaar bestuur. Niet zo verwonderlijk. Wetgeven is een lang en politiek proces bestaande uit compromissen.

De wetgeving op het gebied van gegevensbescherming bijvoorbeeld dateert uit 1994. Toen was er al jaren over onderhandeld in Brussel. En men dacht in die tijd vooral aan databases. Maar als we kijken naar de achterliggende rechtsbeginselen dan komen we tot opvallende ontdekkingen. Ten eerste zien we dat rond 1890 in VS het recht op privacy uitgevonden werd. De reden? Opkomst van technologie, namelijk het fototoestel.

In 1981 sloten leden van de Raad van Europa al een verdrag over bescherming van persoonsgegevens. Het mooie van dit document is dat het een beginselenkarakter heeft. Beginselen die nog steeds prima toepasbaar zijn ook al is het informatielandschap fundamenteel veranderd.

Zelf vind ik het beginsel van fair play een bloed mooi beginsel. Dit betekent dat de overheid bij handelen waar de burger door belast kan worden, open en eerlijk moet handelen. Juist ook in situaties waarin de wetgeving nog geen oplossing biedt of zoals in het Handboek van Damen staat een norm voor een overheid die ‘binnen de grenzen van de soms gebrekkige wetgeving en rechtspraak en van het algemeen belang van de gemeenschap die moet worden gediend- met een welwillende houding de burger aan zijn recht kan worden geholpen’.

Voor mijn proefschrift kijk ik naar fair play als onderdeel van het Europese recht op ‘good administration’, ook wel good governance genoemd. Dit lijkt hip. Schijn bedriegt:

‘The concept of governance is a very old one; it can be traced in the works of Aristotle, who referred to good governance to describe a state ruled by an ethical and just governor’.

Het recht is dus allesbehalve achterhaald. Het zou wel anders toegepast moeten worden. Bijvoorbeeld door rechtsbescherming in de technologie in te bouwen (rechtsbescherming-by-design) of door veel meer dan nu te investeren in het voorkomen van problemen dan het juridisch oplossen daarvan, bijvoorbeeld door legal-risk-management, crowdsuing en het recht veel toegankelijker maken voor andere disciplines.

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑