Tagarchief: discriminatie

Hallo, dit is uw verleden! U wilt er misschien niet bij stilstaan, het CBS en de Commissie onderzoek interlandelijke adoptie wel.

Een van s ’lands grootste dataslurpers is het CBS. Lang voor data zo alom in ons dagelijks leven was, werd er door statistici hard gewerkt aan het meetbaar maken van belangrijke kwesties. Om die rol te kunnen vervullen beheert het CBS data. Veel data. Het CBS heeft binnen de overheid dan ook een datamonopolie en staat van oudsher bekend als betrouwbaar en deskundig als het gaat over het gebruik van persoonsgegevens.

Het probleem met het verwerken van veel data is dat het een zekere mate van afstand creëert. Niet de mens, maar zijn of haar pakketje data maakt het CBS blij. En daar zit het probleem. Want ik kan wel heel anders denken over mijn pakketje data. Wat de overheid belangrijk vindt om te registreren vind ik misschien juist totaal ondergeschikt. Er is altijd een zekere versimpeling van de mens door naar data te kijken. Dat is niet verwerpelijk, soms zelfs zeer nuttig maar je moet je wel altijd realiseren dat je met een versimpeling bezig bent.

Het is menselijk om te vergeten dat je met mensen bezig bent. Daarom zijn er wetten.

Het goede doel: onderzoek naar misstanden in het verleden rond adoptie.

Goede bedoelingen maken niet alles geoorloofd. In dit geval gaat het over het onderzoek naar adoptie. Na berichten over ernstige misstanden in Nederland over adoptiepraktijken is er een commissie ingesteld die daar onderzoek naar doet. Vervolgens heeft de Tweede Kamer ingestemd met een onderzoek naar misstanden bij adopties uit het buitenland.

De commissie onderzoek interlandelijke adoptie koos voor de onderzoeksmethode om het CBS te vragen een geselecteerde populatie uit te nodigen voor het invullen van een vragenlijst en het verwerken van de antwoorden. De uitleg van het CBS staat hier.

Dit is een methode, al kan men zich afvragen of iemand die zelf geadopteerd is iets kan bijdragen aan een onderzoek naar de ‘feitelijke gang van zaken rondom oude adopties vanuit het buitenland en de rol van de Nederlandse overheid daarbij’. Dit soort vragen werd dan ook niet gesteld. Commissievoorzitter  Joustra zegt erover:  “De Commissie vindt het belangrijk om te weten hoe het gaat met geadopteerden die uit andere landen naar Nederland zijn gekomen. Wat is hun levensstijl en wat zijn hun opvattingen? We willen bijvoorbeeld weten hoe ze aankijken tegen hun eigen adoptie. Hoe is of was hun relatie met hun opvoeder? Hoe zijn hun sociale contacten, hoe is het met hun gezondheid? Maar ook: zoeken ze naar hun roots? Of voelen ze zich gediscrimineerd? Dat soort belangrijke, persoonlijke vragen.”

smartphone-1987212_640

De keuze betekende in ieder geval dat mensen van de een op de andere dag een brief van het CBS kregen. In deze op naam gestelde brief stond dat er onderzoek werd gedaan naar geadopteerden en niet-geadopteerden.  Uiteraard zou het invullen van de vragenlijst anoniem zijn maar het leed was al geschied.

Ik vind het jammer dat ik vanuit de overheid op mijn 38ste geconfronteerd wordt met adoptie terwijl dit normaliter geen rol speelt in mijn leven

Want hoe zou u het vinden als u ineens lid blijkt te zijn van een doelgroep en daar ongevraagd door de overheid over wordt benaderd? Onder hen iemand die naar eigen zeggen de afgelopen 38 jaar nooit enige negatieve verbinding heeft gevoeld of gehad met het thema ‘adoptie’. Zij voelt zich Nederlandse en haar identiteit wordt niet gevormd door haar adoptie. Dit zal voor andere mensen misschien anders zijn. Er zullen ook mensen zijn die het juist erg waarderen. Een naar dilemma dus.

Wat zegt de wet?
Het is daarom zaak dat we even naar de wet gaan kijken, in het bijzonder artikel 22 van de Algemene verordening gegevensbescherming. Hoewel sommige bepaling niet gelden zodra het gaat om wetenschappelijk onderzoek of om het CBS, zijn mij geen uitzonderingen bekend op artikel 22 AVG.

Dit staat in het eerste lid artikel 22 AVG: ‘De betrokkene heeft het recht niet te worden onderworpen aan een uitsluitend op geautomatiseerde verwerking, waaronder profilering, gebaseerd besluit waaraan voor hem rechtsgevolgen zijn verbonden of dat hem anderszins in aanmerkelijke mate treft.’

  1. Laten we eerst vast stellen of het gaat om profilering (definitie in artikel 4 AVG). Het antwoord is ja, aan de hand van persoonsgegevens worden persoonlijke aspecten van een natuurlijke persoon geëvalueerd met de bedoeling iets te analyseren. Het CBS weet niet wie er ooit is geadopteerd, maar kan aan de hand van een combinatie van persoonsgegevens afleiden hoe groot de kans is dat persoon X is geadopteerd.
  2. Vervolgens is de vraag het geautomatiseerd uitsturen van een uitnodiging tot het meedoen aan het onderzoek, een geautomatiseerd besluit is waaraan rechtsgevolgen zijn verbonden of hem anderszins in aanmerkelijke mate treft? Nee er zijn geen rechtsgevolgen aan verbonden dus door naar het volgende criterium.. Is iemand anderszins in aanmerkelijke mate getroffen door het toegestuurd krijgen van deze brief van het CBS? Emotioneel gezien leidt dit geen twijfel. De persoon die met mij contact zocht is volledig onverwacht geconfronteerd met haar geschiedenis en daar zeer van ontdaan. Ze voelt zich tegen haar wil anders behandeld. We weten nog niet wat de Europese rechtspraak zal gaan doen met de interpretatie van ‘of anderszins in aanmerkelijke mate getroffen zijn’ maar als we naar de SyRi-uitspraak kijken dan valt het er zeker onder.

Dit zou betekenen dat de werkwijze van het CBS als verantwoordelijke voor de persoonsgegevens niet mag. Want de uitzonderingsgronden uit het tweede lid van artikel 22 AVG gaan niet op (even voor de zekerheid dan toch maar: een brief van de minister voor rechtsbescherming is geen lidstaatrechtelijke bepaling die op de verwerkingsverantwoordelijke van toepassing is en die ook voorziet in passende maatregelen ter bescherming van de rechten en vrijheden en gerechtvaardigde belangen van betrokkenen).

Dus?
Ik wil niets afdoen aan de statistische zorgvuldigheid die is betracht door ook mensen aan te schrijven die vermoedelijk niet geadopteerd zijn als controlegroep. Ik snap ook dat het CBS duidelijk heeft gemaakt dat er dus geen database is in Nederland met gegevens van alle geadopteerden. Toch moet het in de toekomst echt anders. Denk bijvoorbeeld aan oproepen via verenigingen, op platforms of radio of televisie om zo aandacht te vragen voor het onderzoek en de mogelijkheid om mee te doen.

Want in de vele jaren die ik al doorbreng in het gegevensbeschermingsrecht heb ik nauwelijks een voorbeeld gezien dat zo goed het belang van gegevensbescherming  illustreert.  Een mens voelt zich gereduceerd tot lid van een doelgroep. Met een ‘anders’ zijn. Ondanks de goede bedoelingen van de commissie om erachter te komen of mensen zich gediscrimineerd voelen is precies dat bereikt: mensen voelen zich gediscrimineerd.

En dat de overheid dit doet maakt dat er ook nog vraagtekens te stellen zijn over de behoorlijkheid van dit handelen. Ook via die juridische route zou ik adviseren direct met deze handelwijze te stoppen en oog te hebben voor het opschudden van mensenlevens.

Want dat is nou eenmaal een groot verschil: data hebben geen gevoelens. Mensen wel.

 

Profielen en rechters

profielIn een wereld waar op het openbaar bestuur wordt bezuinigd en de taakstellingen toenemen, moeten harde keuzes gemaakt worden om efficiënt te blijven werken. Bij het controleren van naleving van wetgeving is dit niet anders. Er wordt dan ook gewerkt met profielen.

Een profiel

Een profiel is een set van kenmerken van een persoon of zijn gedrag die iemands contouren zichtbaar maken. We kennen profielen uit de kunstwereld. Het woord ‘profil’ werd in 1621 in Frankrijk gemunt. In 2008 zien we deze uitleg in een rapport opgesteld voor de Raad van Europa:

A profile is merely an image of a person based on different feautures. In the artist’s profile, features are sketched; in profiling, data are correlated. In neither case can the profile be equated with the person him or herself.

Met behulp van het profiel wordt een individu uit de massa gehaald en nader onderzocht. Nieuw is dit niet. Een agent maakt dagelijks dergelijke afwegingen. In de VS is profiling in combinatie met de politie haast altijd verbonden aan het maken van onderscheid op basis van uiterlijke kenmerken. https://www.aclu.org/issues/racial-justice/race-and-criminal-justice/racial-profiling

Recent hebben twee hoogste bestuursrechters een oordeel gevormd over de vraag of de toepassing van een bestuursorgaan van een profiel in strijd is met het verbod van discriminatie. We starten met het meest duidelijke voorbeeld van profiling; een toezichthouder die op een locatie onderzoek doet. Het onderzoek werd door de Inspectie SZW gedaan in het kader van naleving van de Wet arbeid vreemdelingen. Men wilde weten of op de bouwplaats mensen aan het werk waren zonder tewerkstellingsvergunning. Daarvoor vroeg men niet aan alle aanwezige mensen de identiteitspapieren maar alleen aan drie van hen. Op de zitting bij de rechtbank spreekt een inspecteur opvallend open over deze werkwijze:

Wij controleren in het kader van de Wav, omdat de betreffende vreemdelingen donker haar en een getinte huidskleur hadden hebben we hen om identificatie gevraagd, omdat daaruit het vermoeden voortvloeide dat zij vreemdelingen waren.

Naar aanleiding van de bevindingen werd een boete opgelegd van  €12.000.

De Afdeling bestuursrecht van de Raad van State oordeelt zonder veel omhaal van woorden dat hier een onderscheid is gemaakt op uiterlijke kenmerken, dat er geen rechtvaardiging voor bestaat en daarom ongeoorloofd is als bedoeld in artikel 1 van de Grondwet.

Ongebruikelijk in het bestuursrecht is het gevolg van deze constatering; deze schending wordt door de bestuursrechter zo ernstig geacht dat het bewijs dat op deze wijze verzameld is, niet gebruikt mag worden. De manier van verkrijgen staat haaks op wat mag worden verwacht van een behoorlijk handelende overheid.

De andere twee voorbeelden van het gebruiken van profielen komen van de CRvB en gaan over de controle van het recht op een bijstandsuitkering. In beide gevallen ging het om onderzoek naar eventueel vermogen (bankrekening of een woning) in het buitenland. In een zaak was er geen strijd, in de andere wel.

Rotterdam: geen gerechtvaardigd onderscheid

In de zaak over Rotterdam was het profiel als volgt;

– bijstandsgerechtigden die de dubbele nationaliteit Nederlands & Marokkaans, ouder zijn dan 40 jaar en afkomstig uit bepaalde streken van Marokko en welke in het verleden vakanties hebben doorgebracht in Marokko.

Volgens de CRvB mag bij het onderzoek naar eventueel vermogen in het buitenland wel een onderscheid gemaakt worden tussen groepen bijstandsgerechtigden (bijvoorbeeld het niet-Nederlander zijn in combinatie met de leeftijd en vakantiegedrag) maar in dit project was het risicoprofiel alleen gericht op enkele groepen bijstandsgerechtigden met een bepaalde dubbele nationaliteit.

Door te kiezen voor het onderzoek naar de dubbele nationaliteit Nederlands/Marokkaans, is dit een “verdacht”  onderscheid.  Rotterdam slaagde er niet in de rechtvaardiging hiervoor over te laten komen als zeer gewichtige redenen.

Vervolgens gaat de CRvB ook in op het gevolg van het risicoprofiel en de vraag of het middel in verhouding stond tot het doel. Rotterdam hanteerde een werkwijze die, zeker gezien de wijze van profilering, een schoolvoorbeeld is van discriminatie.

Mensen immers die voldeden aan het profiel, werden niet uitgenodigd schriftelijk vragen te beantwoorden of langs te komen voor een informatief gesprek met de klantmanager. Zij werden, los van elkaar, gehoord door de sociale recherche in het gebouw waar normaal verhoringen plaatsvinden voor fraude-onderzoeken.

De CRvB oordeelt dat Rotterdam hiermee een bepaalde, op nationaliteit gebaseerde groep heeft behandeld op een manier waarbij het gevoel of de schijn kon ontstaan, dat betrokkenen onjuist gebruik maakten van de bijstand, terwijl daarvoor geen vermoeden bestond.

Een goede beslissing want inherent aan profiling is immers dat een profiel vooral iets zegt over een persoon ten opzichte van een groep, maar op zichzelf beschouwd slechts een schets of indruk geeft over een persoon of zijn gedrag.

Schiedam: geen strijd met verbod van discriminatie

Even verderop, in Schiedam, pakt men dat heel wat professioneler aan. Maar ook het risicoprofiel was anders samengesteld. Het doel was gelijk; onderzoeken van eventueel vermogen in het buitenland. Het profiel bestond uit de volgende kenmerken:

-bijstandsgerechtigden ouder dan 50 jaar, die afkomstig zijn uit een ander land dan Nederland gecombineerd met vakantiemeldingen (lange vakantie van 30 dagen of meer).

Interessant is in deze kwestie dat de CRvB, vermoedelijk daarop gewezen door Schiedam, beschrijft dat bijstandsgerechtigden die in Nederland zijn geboren ook voortdurend onderworpen worden aan controles naar de aanwezigheid van vermogen. Betrokkenen merken daar alleen niets van. De gegevensuitwisselingen die dit mogelijk maken zijn niet voorhanden voor mensen die niet in Nederland zijn geboren. Omdat iemand in het land van herkomst vermogen kan hebben opgebouwd of geërfd, is het land van herkomst een gegeven dat van belang is voor de vraag of de controle op vermogen en inkomen van de betrokkene vooral op middelen binnen Nederland moet worden gericht of ook op middelen in het buitenland.

Maar dat is niet het enige waarom deze zaak anders is. In Schiedam kregen de mensen die voldeden aan het profiel een brief waarin het onderzoek werd aangekondigd. Zij kregen ook de gelegenheid om binnen twee weken zelf eventueel vermogen in het het buitenland te melden. Er zou dan geen boete worden opgelegd, maar het recht op bijstand zou wel worden onderzocht en mogelijk teruggevorderd. De rechtzoekenden hadden hier niet op gereageerd zodat hun vermogenspositie alsnog in het buitenland werd onderzocht. Hiervan vindt de CRvB van belang dat dit eigenlijk hetzelfde is als mensen die in Nederland geboren zijn: van hen wordt de vermogenspositie ook voortdurend maar ongemerkt onderzocht. Van verschillende behandeling is in zoverre maar in zeer beperkte mate sprake.

Dit laat zien dat bestuursrechters goed uit de voeten kunnen met risico-profielen. Dat is goed nieuws. We kunnen hieruit ook afleiden dat de uitvoering steeds met objectieve kenmerken moeten werken en deze moet verfijnen met andere objectieve kenmerken.

De moeilijkheid zit wat mij betreft steeds in de vraag wat te doen als een ‘verdacht’ kenmerk een statistisch relevant kenmerk blijkt. Bijvoorbeeld onderscheid naar leeftijd omdat uit onderzoek blijkt dat jongeren meer roekeloos rijden. Of onderscheid naar geslacht omdat uit de cijfers blijkt dat vrouwen zo enorm goed kunnen autorijden en minder schade veroorzaken. Daarover de volgende keer meer.