Tagarchief: geautomatiseerd besluiten

Extra waarborgen voor burgers bij het vervangen van ambtenaren door computers.

Bij veel (vooral massale, routineuze financiële) overheidsbesluiten neemt de computer het besluit in plaats van de ambtenaar. Dit gebeurt al sinds de jaren ’70. De explosieve toename van het autobezit bijvoorbeeld plaatste de belastingdienst voor de taak om de uitvoering van de motorrijtuigenbelasting aan te passen aan deze nieuwe realiteit. Door automatisering kon de motorrijtuigenbelasting alsnog snel en goed uitgevoerd worden. Soms ook wordt wetgeving ontworpen met het doel dat de computer de wet kan uitvoeren. Het eerste voorbeeld van deze manier van wetgeven, in Duitsland ‘Automationsgerechtigkeit’ genoemd speelde in 1958 (Bing 2004, p.203). Zouridis liet in 2000 zien hoe ICT het juridische werk bij de overheid verandert en Marga Groothuis ging in 2004 in op mogelijke waarborgen bij geautomatiseerde besluiten vanuit het bestuursrecht en het privacyrecht.

clip-art-computer-clipart-1

figuur: WorldArtsMe

Nieuw zijn geautomatiseerde overheidsbesluit dus allerminst. Bovendien heeft iedere burger te maken met geautomatiseerde overheidsbesluiten: of hij nou AOW of kinderbijslag ontvangt, huurtoeslag of een WOZ moet betalen, een aanslag inkomstenbelasting krijgt opgelegd of een gemeentelijke kwijtschelding van belastingen ontvangt. Desondanks staat het fenomeen niet erg in de bestuursrechtelijke belangstelling. Dit is niet alleen een Nederlands fenomeen. Bing gaf hiervoor de verklaring dat juristen doorgaans niet zo geïnteresseerd zijn in dit soort beslissingen. Exotische, academisch interessante besluiten krijgen meer aandacht dan de huis-, tuin- en keukenbesluiten waarvan men ook nog het idee heeft dat deze goed zullen zijn en van gering belang. Zie bijvoorbeeld de wetsgeschiedenis behorend bij artikel 4:12 Awb.

Toch is het belangrijk om stil te staan bij geautomatiseerde overheidsbesluiten. De beslisregels (algoritmen) bijvoorbeeld waarmee een besluit wordt genomen, worden ook wel ‘verborgen pseudo-wetgeving’ genoemd. Elke bestuursrechtjurist denkt nu natuurlijk direct aan beleidsregels, vroeger ook pseudo-wetgeving genoemd. De tijd is daar ook naar, algoritmen en robotisering staan sterk in de belangstelling.

Om wat voor soort besluiten gaat het? 

Met geautomatiseerde overheidsbesluiten bedoel ik hier besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb  die zonder directe menselijke tussenkomst tot stand komen. Het gaat om besluiten die tot stand komen doordat de computers door mensen daartoe zijn geïnstrueerd (beslisregels of business rules). Het gaat mij hierbij dus niet om resultaten van machine learning. In die gevallen immers zijn de algortimes niet meer door mensen gemaakt, maar leert de computer zichzelf iets aan. Ik ken geen bestuursorganen die machine learningstechnieken toepassen om besluiten te nemen.

Bovendien gaat hier het om besluiten die als tweede belangrijke element hebben dat zij tot doel hebben het besluitvormingsproces van het uitvoeren van een juridische vraag over te nemen. Dit kan gezien worden als een algortime als ALS X + C – D DAN Z. Het gaat hier dus niet over besluiten die op basis van profilering worden genomen, zogenaamde kansberekeningen op basis van gegevens over gedragskenmerken. Voor zover mij bekend maakt de Nederlandse overheid wel gebruik van profileren, maar niet als grondslag voor een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

Extra bestuursrechtelijke waarborgen bij geautomatiseerde overheidsbesluiten

In deze blogpost ga ik in op de vraag of deze manier van uitvoering andere of extra bestuursrechtelijke waarborgen vraagt ter bescherming van burgers die een geautomatiseerd overheidsbesluit ontvangen. De bespreking hiervan gebeurt langs twee lijnen:

1. via de bestuursrechtelijke rechtsbescherming tegen een besluit of beschikking.

2. via de bescherming die de Algemene Verordening Gegevensbescherming biedt.

1. Bestuursrechtelijke rechtsbescherming tegen een besluit of beschikking.

De geschiedenis van het vaderlandse bestuursrecht is vrij overzichtelijk als het gaat om uitspraken waarin de bestuursrechter zich uitlaat over een computerprogramma waarmee een besluit wordt genomen. Grofweg hebben we CBBS van het UWV dat ter discussie werd gesteld bij de CRvB en AERIUS van de minister van EZ dat besproken is bij de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State.

Het CBBS is een claimbeoordelings-en borgingsstysteem dat gebruikt wordt bij de beoordeling of iemand arbeidsongeschikt is te achten en zo ja, in welke mate. In 2004 had de CRvB drie bedenkingen bij de inzet van dit systeem door het bestuursorgaan. Deze hadden met elkaar gemeen dat minder goed dan voorheen inzichtelijk en verifieerbaar was hoe de schattingen en belastbaarheid werden vastgesteld. Na het bespreken van de bedenkingen, oordeelde de CRvB dat hierdoor geen sprake was van een toereikend niveau van transparantie, verifieerbaarheid en toetsbaarheid van besluiten die met dit computerprogramma zijn genomen. Totdat deze onvolkomenheden hersteld werden zouden de besluiten in aanmerking komen voor vernietiging wegens strijd met de artikelen 3:2 en/of 7:12 van de Awb. Daarom oordeelde  de CRvB dat er hogere eisen aan deze besluiten gesteld moesten worden met betrekking tot de verslaglegging en motivering van de in een concreet geval ten grondslag gelegde verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige uitgangspunten.

Na twee jaar deed de CRvB opnieuw uitspraak, dit keer over de wijzigingen die zijn aangebracht in CBBS naar aanleiding van de eerdere uitspraak. Volgens de CRvB had het UWV de onvolkomenheden naar tevredenheid hersteld.

We kunnen dus concluderen dat als een computerprogramma besluiten neemt, dit niet ten koste mag gaan van de verifieerbaarheid en controleerbaarheid van het besluit. Dat mag op zich geen verbazing wekken, ware het niet dat de bestuursrechter zich in deze uitspraken intensief over de werking en uitkomst van het systeem heeft gebogen en niet is gestopt bij verweer over de betrouwbaarheid of zorgvuldigheid van het systeem. Bovendien is het systeem daadwerkelijk aangepast door het bestuursorgaan. Daarmee is voor alle betrokken burgers een verbetering aangebracht en niet alleen voor de burgers die zich tot de rechter hebben gewend.

De tweede vorm van bestuursrechtelijke waarborgen is geboden in een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het gaat hier om AERIUS.

AURIUS is een systeem dat lokale overheden verplicht moeten gebruiken bij het nemen van een besluit over een vergunning die te maken heeft met de uitstoot van stikstof. Volgens de bestuursrechter ABRS heeft de (deels) geautomatiseerde besluitvorming het risico in zich dat de besluitvorming niet inzichtelijk en controleerbaar is vanwege een gebrek aan inzicht in gemaakte keuzes en de gebruikte gegevens en aannames. De verwachtingen van de wetenschap uit de jaren ’90, namelijk dat de transparantie juist zou toenemen door geautomatiseerde besluiten blijkt niet te zijn uitgekomen. In de overwegingen 14.3 en 14.4 staat dat er een ongelijkwaardige procespositie voor partijen ontstaat als zij niet kunnen controleren op basis waarvan een bepaald besluit is genomen:

Ter voorkoming van deze ongelijkwaardige procespositie rust in dit geval op genoemde ministers en de staatssecretaris de verplichting om de gemaakte keuzes en de gebruikte gegevens en aannames volledig, tijdig en uit eigen beweging openbaar te maken op een passende wijze zodat deze keuzes, gegevens en aannames voor derden toegankelijk zijn. Deze volledige, tijdige en adequate beschikbaarstelling moet het mogelijk maken de gemaakte keuzes en de gebruikte gegevens en aannames te beoordelen of te laten beoordelen en zo nodig gemotiveerd te betwisten, zodat reële rechtsbescherming tegen besluiten die op deze keuzes, gegevens en aannames zijn gebaseerd mogelijk is, waarbij de rechter aan de hand hiervan in staat is de rechtmatigheid van deze besluiten te toetsen.’ 

Vervolgens gaat de ABRS per inhoudelijk punt na of het systeem voldoet aan het eerder geformuleerde kader. En die toets ziet er gedetailleerd uit. Een onderbouwing die is gegeven voor de verwachte economische groei wordt als onvoldoende inzichtelijk beoordeeld, bepaalde aannames zijn niet inzichtelijk geworden en ook stellingen die onbewezen blijven worden als onvoldoende inzichtelijk beoordeeld.

Zowel het kader als de invulling die de bestuursrechter in deze rechtszaak heeft gegeven, maakt dat bestuursorganen tekst en uitleg moeten bieden over het concrete besluit en de wijze waarop de computer dit heeft gegenereerd. Het gaat daarbij niet alleen om het kunnen controleren van het besluit als resultaat met (hopelijk) een deugdelijke motivering. Het gaat juist om het kunnen controleren van het proces waarmee dit besluit tot stand is gekomen; hoe is de wet geïnterpreteerd, hoeveel gewicht is toegekend aan een variabele, welke keuzes er zijn gemaakt bij het verfijnen van de ‘talige’ wet in de enen en nullen van het rekenkundig softwaresysteem, en waarom aan bepaalde gegevens de doorslag is gegeven en aan welke niet?

De eisen, die dermate algemeen zijn geformuleerd dat zij ook voor andere besluiten opgaan, bieden extra waarborgen voor burgers, ook voor burgers die geen rechtsmiddelen hebben ingezet.  Belangrijk is ook dat het volgens de ABRS gaat om inzicht dat ter beschikking is van belanghebbenden voordat deze beslissen of hij rechtsmiddelen indient.

2. Bescherming die de Algemene Verordening Gegevensbescherming biedt.

En dan hebben we natuurlijk nog artikel 22 van de AVG. Deze bepaling ziet er op het oog zeer ingrijpend uit; in de relatie burger – overheid betekent dit dat een betrokkene niet mag worden onderworpen aan een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid van de Awb tenzij dit is toegestaan bij Unierechtelijke of lidstaatrechtelijke bepaling. Zoals we hiervoor zagen wordt er binnen de Nederlandse overheid nogal veel gewerkt met geautomatiseerde besluiten. Dit is dan waarschijnlijk ook de reden dat in artikel 38 van het voorstel Uitvoeringswet AVG waarvan de consultatie is afgerond, wordt voorgesteld dat artikel 22 AVG niet geldt als geautomatiseerde besluitvorming als hier bedoeld noodzakelijk is om te voldoen aan een wettelijke plicht of noodzakelijk is ter uitvoering van een taak van algemeen belang.

Wel moet de verwerkingsverantwoordelijke dan passende maatregelen treffen tot bescherming van het gerechtvaardigd belang van de betrokken en moet het bestuursorgaan dat het besluit neemt de logica meedelen die ten grondslag ligt aan de geautomatiseerde verwerking van de hem betreffende gegevens.

Conclusie

De waarborgen voor burgers bij geautomatiseerde overheidsbesluiten komen dus uit twee kokers. Beide respecteren de nieuwe realiteit, namelijk dat besluiten door computers worden genomen.  Of dit nu vanuit de bescherming van persoonsgegevens wordt bekeken of vanuit het bestuursrecht, er horen waarborgen bij deze uitvoering die kunnen worden afgedwongen, hetzij via de bestuursrechter, hetzij via de toezichthouder AP.

Dit betekent hoe dan ook dat er werk aan de winkel is voor bestuursorganen. Instructies aan de computer die geschreven zijn door zeer gespecialiseerde programmeurs moeten worden vertaald in toegankelijke uitleg die het mogelijk maakt het programma te controleren. Voor burgers betekent dit in ieder geval extra bescherming.

lit.

Tom Barkhuysen en Niels Jak, Afdeling bestuursrechtspraak formuleert toetsingskader voor geautomatiseerde besluitvormingsprocessen, AERIUS, blog.

Jon Bing, ‘Code, Acces and Control’ in ‘Human Rights in the Digital Age’ M. Klang & A. Murray (eds), Cavendish Publishing Ltd 2005.

M.M. Groothuis, Beschikken en digitaliseren. Over normering van de elektronische overheid (diss. Leiden), (Meijers-reeks) Sdu 2004.

Dag Wiese Schartum, Law and algorithms in the public domain, in Etikk i praksis. Nordic Journal of Applied Ethics (2016), 10 (1),  15–26. http://dx.doi.org/10.5324/eip.v10i1.1973

S. Zouridis, Digitale disciplinering. Over ICT, organisatie, wetgeving en het automatiseren van beschikkingen (diss. Tilburg), Delft: Eburon 2000.

Advertenties

Geautomatiseerde overheidsbesluiten, profielen en artikel 42 Wbp.

Artikel 42 Wbp leidt een wonderlijk en slapend bestaan. Wonderlijk omdat deze bepaling in het privacyrecht voor de overheid voortdurend lijkt te worden opgerekt. Slapend omdat in het bestuursrecht deze bepaling niet wordt ingeroepen voor situaties waarin die juist wel van toepassing zou zijn en bescherming biedt aan burgers.

In deze blog zullen we analyseren wat artikel 42 Wbp beoogt. Van daaruit zullen we onderzoeken welke vormen van overheidshandelen begrensd worden door artikel 42 Wbp en op welke wijze deze ook in het bestuursrecht rechtsbescherming zou kunnen bieden in een wereld waarin profiling, big data en risicomeldingen hoge verwachtingen wekken.

Wat staat er eigenlijk in artikel 42 Wbp?

Niemand kan worden onderworpen aan een besluit waaraan voor hem rechtsgevolgen zijn verbonden of dat hem in aanmerkelijke mate treft, indien dat besluit alleen wordt genomen op grond van een geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens bestemd om een beeld te krijgen van bepaalde aspecten van zijn persoonlijkheid.

Er zijn twee uitzonderingen mogelijk op dit wettelijk verbod:

  • Als het gaat om het sluiten van een overeenkomst kan een besluit (geen besluit als in de Awb) genomen worden mits aan het verzoek van betrokkene is voldaan en zo niet, mits hij van te voren in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.
  • Als het gaat om een besluit dat zijn grondslag vindt in een wet en daarin maatregelen zijn vastgelegd die strekken tot bescherming van het gerechtvaardigde belang van de betrokkene.

Laten we eerst kijken naar het verbod. De verbodsbepaling uit de Wbp is gebaseerd op artikel 15 van de Richtlijn 95/46 die in de hele EU geldt. In deze bepaling is voorgeschreven dat lidstaten ervoor moeten zorgen dat ‘aan ieder het recht wordt toegekend niet te worden onderworpen aan een besluit waaraan voor hem rechtsgevolgen zijn verbonden of dat hem in aanmerkelijke mate treft en dat louter wordt genomen op grond van geautomatiseerde gegevensverwerking bestemd om bepaalde aspecten van zijn persoonlijkheid te evalueren.’

In de originele tekst van de Richtlijn spreekt men bij artikel 15 over ‘automated individual decisions’. Zie hier de oorzaak van het wonderlijke bestaan. Gebruik de woorden ‘geautomatiseerde besluitvorming’ en de privacyjurist denkt ’42 Wbp’!

Wat zijn geautomatiseerde besluiten?

Er zijn in de uitvoering door bestuursorganen twee vormen van geautomatiseerde besluitvormen te onderscheiden:

  1. besluiten die door expertsystemen worden genomen op basis van een samenspel van verzamelde gegevens (variabelen) en beslisregels (de algoritmen). Deze systemen kun je vergelijken met een ambtenaar die een aangifte handmatig beoordeelt; het checkt de gegevens en gaat aan de slag met (plat gezegd) <als X dan Y > formules. De uitkomst is een beschikking van een bestuursorgaan waartegen de gebruikelijke rechtsmiddelen openstaan. Op tal van terreinen nemen computers de primaire besluiten. Je kunt denken aan de studiefinanciering, toeslagen, WOZ-beschikkingen en boetes voor te hard rijden.
  2. Het is technologisch ook mogelijk om besluiten te nemen of feitelijk te handelen op basis van profielschetsen. Je hebt bijvoorbeeld schulden gemaakt in het verleden en dat is voor een telefoonmaatschappij reden om aan te nemen dat het risico te groot is om je direct een abonnement te verlenen. Of je krijgt een bepaalde functie niet omdat je niet door een screening komt. Dit kun je in de analoge wereld vergelijken met een mens die risico’s moet inschatten; geef ik iemand wel of geen lening? Krijgt iemand wel of geen verklaring omtrent gedrag?

In mijn visie worden in het eerste geval wel geautomatiseerd persoonsgegevens verwerkt, maar kun je niet zeggen dat deze bestemd zijn om een beeld te krijgen van bepaalde aspecten van zijn persoonlijkheid. Want dat impliceert immers dat er gewerkt wordt met profielen, schetsen van iemands persoonlijkheid door het evalueren van gedrag.

Een voorbeeld. Stel dat de WOZ-waarde van uw huis bepaald moet worden. Dit gebeurt geautomatiseerd en aan de hand van een aantal, vrij droge, data; referentiehuizen, ligging, oppervlakte en economische gegevens. Dit is geautomatiseerde besluitvorming maar zonder profielen. Artikel 42 Wbp is niet van toepassing, wel de Awb.

Maar stel nu dat besloten wordt om een aantal WOZ-waarde beschikkingen anders wil behandelen omdat het bestuur af wil van de massale bezwaarzaken. Men kan dan in de systemen uitzoeken welke soort mensen (leeftijd, geslacht, gezinssamenstelling), in welke wijk en met welke gemiddelde WOZ-waarden het hoogste aantal bezwaarschriften heeft ingediend bij het bestuur en op basis daarvan die groep selecteren die men vast de wind uit de zeilen wil nemen. Er wordt dan statistiek bedreven op basis van gedragskenmerken en kenmerken die onveranderlijk zijn om een uitspraak te doen over de kans op het indienen van een bezwaarschrift. Dit is een gegevensverwerking die bestemd is om een beeld te krijgen van bepaalde aspecten van iemands persoonlijkheid. Artikel 42 Wbp ziet op deze vorm van profielen.

Het is niet altijd duidelijk; zo verschilden de wetgever enerzijds en het CBP en Raad van State anderzijds van mening over de gegevensverwerking die gebruikt werd om vast te stellen of iemand in aanmerking kwam voor een tegemoetkoming toegekend door het CAK. De wetgever vond het geen profielen, CBP en Raad van State (Advies W13.10.0172/I) wel. In de meest principiële rechtszaak die hierover is gevoerd werd echter niet aan de bestuursrechter gevraagd om hier een oordeel over te geven, hoewel het materiele geschil juist de onderliggende kwalificaties betrof.

Werken met profielen bij de overheid? Niet altijd een kwestie voor artikel 42 Wbp

Vervolgens het tweede misverstand; zodra het woord ‘profielen’ valt, denken we aan het verbod van 42 Wbp. Maar ook dat is te snel.

Het werken met geautomatiseerde profielen komt dus pas te vallen onder het verbod van 42 Wbp als dit in de verhouding overheid-burger leidt tot een besluit in de zin van de Awb of een handeling die iemand in aanmerkelijke mate treft. Is dat het geval, dan regelt artikel 42, vierde lid, van de Wbp ook dat de verantwoordelijke de betrokkene de logica meedeelt die ten grondslag ligt aan de geautomatiseerde verwerking van hem betreffende gegevens.

profilee

Wat als bestuursorgaan geautomatiseerd beschikkingen neemt gebaseerd op profielen?

Onomstreden is dat zodra er een besluit genomen wordt enkel op basis van een profiel we aanlopen tegen het verbod. En nu wordt het bestuursrechtelijk erg boeiend. Want volgens de MvT geldt voor burgers die geconfronteerd worden met dergelijke beschikkingen, de bescherming van artikelen 4:7 en volgende van de Awb.

Artikelen 4:7 Awb ev behelzen een nadere invulling van het zorgvuldigheidsbeginsel en houden in dat de belanghebbende zelf, voorafgaand aan het besluit, zijn visie mag geven. Op die manier dient de computer, of het profiel, dus als een intern advies en kan de belanghebbende een ander licht op de zaak geven. Het achterliggende idee van de artikel 15 van de Richtlijn is dat de menselijke waardigheid vereist dat dergelijke beslissingen niet door de computer genomen kunnen worden.

De verwijzing naar artikel 4:7 van de Awb zou dus neerkomen op een verbod op het geautomatiseerd nemen van beschikkingen gebaseerd op profielen. Het kan immers niet volledig geautomatiseerd zijn als iemand eerst zijn visie mag geven. Zie hier ook het idee dat er dan een menselijke tussenkomst is gegarandeerd. Goed nieuws dus, zou u denken.

Maar, nu komt het: in artikel 4:12 Awb is geregeld dat het vragen om een zienswijze achterwege kan blijven bij beschikkingen over financiële aanspraken (verreweg het leeuwendeel van de te nemen beschikkingen) mits de nadelige gevolgen daarvan ongedaan gemaakt kunnen worden.

Met andere woorden; er was eerst een wettelijk verbod, toen een bevoegdheid met als voorwaarde dat eerst om een zienswijze wordt gevraagd (feitelijk is het dan onmogelijk om geautomatiseerd te besluiten), om uiteindelijk alsnog tot een bevoegdheid tot komen (waarbij vertrouwd wordt op de bescherming van de bezwaarprocedure).

Het zou interessant zijn te onderzoeken of Nederland hiermee eigenlijk wel op een juiste manier artikel 15 van de Richtlijn heeft geïmplementeerd. Bijvoorbeeld bij rechtszaken over beschikkingen gebaseerd op CBBS, software die door UWV gebruikt wordt om de functie vast te stellen die iemand nog zou kunnen vervullen.  Volgens annotator prof. Overkleeft-Verburg zou voor CBBS het verbod van 42 Wbp gelden.

Bij het uitvoeren van Europees recht door een Nederlands bestuursorgaan op basis van profielen wordt het nog pregnanter omdat dan het recht op behoorlijk bestuur uit artikel 41 van het Handvest grondrechten geldt. Dit recht houdt namelijk in een recht van eenieder om te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen.  

Wat als het bestuursorgaan een betrokkene in aanmerkelijke mate raakt gebaseerd op profielen?

In het bestuursrecht is vervolgens interessant hoe het zit met het verbod om iemand te onderwerpen aan een besluit dat hem in aanmerkelijke mate treft. Ik vermoed dat we het dan hebben over feitelijk handelen of voorbereidingshandelingen van een besluit.

Niet elk feitelijk handelen dus, maar handelen dat iemand in aanmerkelijke mate treft. Denk aan SyrI; na het loslaten van risicomodellen op een berg aan persoonsgegevens over mensen met een uitkering, komt er een ‘risicomelding’. Hoewel negatief over de opzet en omvang van SyRI, noemt de Raad van State artikel 42 Wbp niet. (Zie het advies Raad van State afdeling advisering; W12.14.0102/III.) Toch zou SyRI wel eens onder artikel 42 Wbp kunnen vallen.

Het ligt, zo verwacht ik, dan ook aan de methode van onderzoek NA de melding of we kunnen spreken van het ‘iemand in aanmerkelijke mate’ treffen. Een administratieve check is iets anders dan een huisbezoek. In het geval van SyRI echter komt iemand bovendien na een melding in een register te staan, met alle risico’s van dien. Wordt iemand dan in aanmerkelijke mate geraakt?

Bij het meest vergaande feitelijk handelen na een risicomelding, denk ik aan het afleggen van huisbezoeken. Huisbezoeken is eufemistisch taalgebruik voor onaangekondigd onderzoek in iemands woning. Dit lijkt mij zeker het in aanmerkelijke mate raken van een betrokkene.

Huisbezoeken die op basis van risicoprofielen worden afgelegd kennen we. Uit de jurisprudentie van de CRvB over de controle van rechtmatigheid van studiefinanciering of bijstand.

Uit het artikel van Van den Berg en Van der Leek ‘Studiefinanciering: de uitwonendencontrole’ JBPlus 15/2 blijkt dat DUO risicoprofielen hanteert om te kunnen bepalen welke student met een uitwonende beurs vereerd wordt met een bezoek:

Een risicoprofiel is een set van kenmerken die een verhoogde kans geeft op (vaststelling van) regelovertreding. Hoewel de minister geen inzage geeft in de technische aspecten van de profielen, is wel duidelijk dat daarbij een rol spelen de afstand tussen het adres van de student en het adres van zijn ouders, de afstand van deze adressen tot de school, het aantal inschrijvingen op een adres in relatie tot familieverhoudingen.

Opvallend. Vooral omdat in de rechtszaken hierover artikel 42 Wbp geen rol speelt. Opvallend is ook dat bestuursorganen dus de logica niet mededelen aan betrokkenen, noch de bestuursrechter.

Maar, is de onbekendheid met artikel 42 Wbp erg?

Ik denk het wel, artikel 42 Wbp geeft waarborgen die passen bij de toegenomen kracht van (big) data verrijking. Ook het feit dat de logica niet voor de betrokkene geheim mag worden gehouden (artikel 42, vierde lid, van de Wbp) terwijl in de meeste uitspraken de rechter het betoog van het bestuur volgt dat dit juist wel geheim moet blijven, laat zien dat de huidige bescherming geen gelijke tred houdt met de technologische mogelijkheden.

Het gaat om het terugbrengen van de balans. Er zijn genoeg instrumenten: vanuit de EU Richtlijn (menselijke waardigheid), artikel 4:7 en 4:8 van de Awb (zorgvuldigheidsbeginsel) en artikel 41 van het Handvest (behoorlijk bestuur) welke allen steeds uitkomen op dezelfde waarborgen: na het wiskundige rekenresultaat over de kans op een risico, is het aan de belanghebbende zijn visie van het verhaal te geven.

‘De burgers kunnen natuurlijk altijd in bezwaar.’

Toen ik gevraagd werd een inleiding te houden over mijn onderzoek Effectieve rechtsbescherming bij geautomatiseerd beslissen door de overheid, was ik erg opgetogen. Als buiten-promovenda krijg ik niet vaak die kans. Iedere onderzoeker vertelt graag over zijn onderzoek. Hoewel het best lastig is om van de rust en kalmte in een diepe heldere zee weer terug te komen naar de oppervlakte om het geheel te overzien. Ik deed mijn best en nam dan ook goed voorbereid en blij plaats in de zaal.

Mijn opgetogen stemming verdween vrij snel. Ik werd helemaal niet uitgenodigd mijn inleiding te geven. Nog erger, aan het eind van de sessie keek de gespreksleider meewarig op z’n horloge en zei; ‘jammer voor je, maar we zijn dus niet toegekomen aan jouw verhaal. Maar je kunt ’t natuurlijk altijd nog bij het lopend buffet proberen’.

Wat nu? Er waren twee tactieken; beleefd knikken, de gespreksleider op de gang de oren wassen en daarna heel hard wegrennen. De andere: beleefd knikken, het woord nemen en alsnog mijn inleiding houden. Ik koos voor het laatste. Dat leek misschien stevig omdat ik door ging. Maar in werkelijkheid was ik hierdoor op zo’n grote achterstand gezet, dat het neerkwam op een mechanische uitwisseling in plaats van contact. Ik had het net zo goed kunnen laten.

Ik snapte het ook niet; er was immers wel een formele uitnodiging geweest een verhaal te houden. Maar de facto werd ik genegeerd waardoor ik voor mezelf moest opkomen. Maar ik wil helemaal niet in de positie geplaatst worden dat ik me moet verdedigen. Ik wil dat mensen het leuk vinden dat ik een inleiding geef. En dat als men het niet leuk vindt, het ook niet vraagt.

En dit doet me zo ontzettend denken aan de positie van burgers bij geautomatiseerd besluiten door de overheid. De overheid hanteert bij massale en geautomatiseerde besluiten nogal vaak de leus; maar de burgers kunnen natuurlijk altijd in bezwaar. En daar heeft men formeel gesproken ook wel gelijk in. Maar inmiddels is men deze zin ook gaan gebruiken bij de inzet van systemen waarvan op voorhand al bekend is dat zij systematisch fouten maken. De bezwaarprocedure is daarmee een excuus geworden voor het aanvaarden van foutmarges bij het nemen van primaire beslissingen. We horen het wel van de burger als het niet klopt.

De vraag die dan direct gesteld moet worden is of de bezwaarmaker ook feitelijk zo wordt behandeld? Wordt hij uitgenodigd zijn verhaal te doen om te ontdekken of hij mogelijk slachtoffer is geworden van de foutmarges? Of wordt hij in de verdedigende rol geplaatst door te bepalen dat het aan hem is om aan te tonen dat het besluit niet juist was? Het lustrumcongres http://www.prettigcontactmetdeoverheid.nl geeft goede hoop. Toch blijft ook dan de twijfel of op de werkvloer en onder druk van productienormen hetzelfde gedacht wordt over bezwaarschriften als de top van de overheid graag suggereert. Als u die twijfel niet heeft doet u er goed aan Michael Lipsky te lezen: Street-level bureaucracy: dilemmas of the individual in public services.

Ik heb het geluk dat ik kan besluiten om voortaan deze vreemde gespreksleider te mijden. Een ezel stoot zich etc. Voor een burger is dat minder makkelijk. Zeker als hij met z’n fietsenrekje achter de auto op de A2 wil rijden!

http://www.rtlnieuws.nl/nieuws/binnenland/falende-trajectcontrole&quot